Uitgelezen 85: 1953 – Rik Launspach

Titel: 1953
Schrijver: Rik Launspach
Jaar van uitgifte: 2009

Flaptekst:
In een donkere nacht, in een door God verlaten provincie, tijdens de grootste ramp die naoorlogs Nederland trof, zijn twee zoekend zielen door het noodlod aan elkaar verbonden. Zij is het kind kwijtgeraakt dat ze een maand eerder baarde, hij verloor ooit het kind in zichzelf. Samen ondernemen ze een schijnbaar hopeloze tocht door de zoute modder van het verwoeste Zeeland.
Tegen de achtergrond van de watersnoodramp van 1953 vertelt Rik Launspach een aangrijpend verhaal over de vernietigende kracht van het water en de drijvende kracht van de liefde.

Leeswaarschuwing
Onderstaande tekst kan details van de plot en/of de afloop van het verhaal bevatten.

Rik Launspach was bezig aan een filmscenario over de watersnoodramp in 1953. Bij de voorbereiding ervan deed hij zoveel kennis op dat hij een roman over het onderwerp kon vullen. De situatie is in feite te vergelijken met het eind 2007 verschenen boek “Bruidsvlucht”van Marieke van der Pol dat ongeveer dezelfde tijd bespreekt. Het boek is een mengeling van fictie (de geschiedenis van Julia) en non-fictie het klokkenluiderschap van Joost van ven, in werkelijkheid Johan van Veen) De film die “De Storm” is gaan heten, ging in het najaar van 2009 in de bioscoop draaien.

Structuur en/of verhaalopbouw
Na een kort voorwoord waarin de verteller aangeeft dat God bij de schepping eigenlijk Zeeland heeft overgeslagen, wordt het verhaal van de watersnoodramp in vier grote delen die alle naar een plaats verwijzen verteld.

• Moesbosch ( verwijst naar de boerderij van de hoofdfiguur) Dit deel is onder verdeeld in 11 hoofdstukken
• Oostennabije (verwijst naar het dorp vlakbij de boerderij van de hoofdfiguur) Dit deel is onderverdeeld in 21 hoofdstukken
• Worighsant (verwijst naar de naam van een hotel in Oostennabije, waar Julia vroeger vaak kwam en waarin ze nu terugkeert op haar queeste) Dit deel is onderverdeeld in 17 hoofdstukken
• In Excelsis (verwijst naar de naam van een sporthal in Hellevoetsluis waar de slachtoffers uiteindelijk worden opgevangen.)
Dit is het kleinste deel van de vier delen; het is onderverdeeld in 7 hoofdstukken. Het vertelt o.a. hoe het afloopt met de belangrijkste personages na de ramp. Daardoor krijgt het deel min of meer het karakter van een epiloog.
Het verhaal van de ramp en de zoektocht van Julia naar haar pasgeboren baby wordt chronologisch verteld.

Samenvatting van de inhoud
In een voorwoord geeft de verteller aan dat Zeeland eigenlijk door God vergeten is bij de schepping. Het is zo’n naar stukje land dat je er eigenlijk niet zou moeten willen wonen.

Moesbosch
Julia wordt in de zomer van 1952 achttien jaar. Ze woont met haar zus Bekka en haar ouders op een boerderij. Maar ze heeft besloten weg te gaan uit het streng gelovige Oostennabije in de streng gelovige provincie Zeeland. Ze kan echter niet meteen weg van huis en ze gaat helpen in het hotel Worighsant dat de liberale eigenaresse Minke heeft. Julia is een mooie meid die echter niet wil functioneren, zoals ze dat in het dorp zouden willen zien. De garnalenvisser Diewer heeft een oogje op haar. Hij zit vaak verlegen op het terras om door haar bediend te worden en Minke wil hen wel aan elkaar koppelen. Zijn beide broers zijn op zee gebleven (net toen hij een keer niet meeging) en hij moet zijn gehandicapte vader helpen bij het vissen. Hij helpt op een dag mee op de boerderij en Julia gaat als tegenprestatie een dag mee uit vissen met hem. Dat is het moment dat ze voor de eerste keer seks (op de boot) hebben en Julia zit meteen in het schuitje, naar later blijkt. Diewer vertelt haar daarna dat hij ook niet in het dorp wil blijven, maar dat hij op de grote vaart wil. Dat staat haar wel aan : zo’n onafhankelijke jongen. Ze willen wel op elkaar wachten. Julia droomt van een bestaan in Amsterdam.
Maar dan slaat het noodlot toe: ze is van die ene keer seks meteen zwanger geraakt (ze dacht dat ze in een veilige periode was). Ze krijgt thuis de hele hel over zich heen: haar vader praat niet meer met haar en alles wordt nog erger wanneer Diewer op een bepaalde dag de benen heeft genomen zonder afscheid te nemen van haar. Eigenlijk wordt Julia meteen daarmee de eerste Bom-moeder, want ze trotseert de afkeurende blikken van het dorp. In de maand november ontmoet ze in het hotel (de enige plek waar ze zich happy voelt) een jonge wetenschapper Heino die voor een knappe ingenieur werkt, Joost van Ven. Deze man heeft berekend dat de Zeeuwse dijken helemaal niet voor hun taak berekend zijn, maar de rapporten die hij bij zijn leidinggevenden aflevert, verdwijnen gewoon in de la.

Dan komt er ook verandering in het hotel. De zus van Minke, Regina, neemt haar intrek in het hotel en dan is er vrijwel geen plaats meer voor Julia. Die vindt dat erg jammer, want ze ontwikkelde zich door middel van de boeken uit het hotel. Ze leest bijvoorbeeld de geëmancipeerde Franse schrijfsters (o.a. Simone de Beauvoir). Regina heeft last van een postnatale depressie (zoals we dat nu zouden noemen) en moet in het hotel van haar zus bijkomen. Later blijkt dat ze haar zoontje Koen heeft verloren aan een streptokokkeninfectie.

Met Kerstmis gaat Julia met haar zus Bekka naar de kerk. Ze is te laat en mag eigenlijk niet naar binnen, maar ze is verbaal sterker dan de koster en trotseert alle boze blikken van de dorpsbewoners. Kerst is juist voor de minder bedeelden. Het hele dorp spreekt schande over haar gedrag, maar daar heeft Julia lak aan. Op oudejaarsdag krijgt ze weeën en haar zoontje Ernst komt een aantal weken te vroeg ter wereld.  Het wordt op 31 januari 1953 slecht weer. Het rapport van Joost van Ven wordt door een ambtenaar op een grote stapel gelegd.

Oostennabije
De 24-jarige student Rutus ( eigenlijk Brutus) moet in militaire dienst. Hij wordt boordwerktuigkundige bij de enige helikopterpiloot die Nederland op dat moment rijk is. Hij ziet eind januari 1953 de weersverwachting snel slechter worden.

Julia komt uit het ziekenhuis op die dag ervoor. Ze is echter thuis niet welkom met haar pasgeboren zoontje. Haar vader spreekt niet tegen haar en ook haar moeder is laf. Ze besluit van huis weg te lopen, maar het weer is zo slecht dat ze weer terugkeert. Ze moet in de schuur slapen van haar vader en de baby legt ze in een hutkoffer: ze heeft namelijk geen wiegje. Er is een parallel met het kerstevangelie. Maar dan breken de dijken door en de boerderij loopt onder water. Haar vader en moeder proberen er alles aan te doen om de schade te beperken. Maar ze worden mee gespoeld en ook Bekka verdwijnt in de golven. Julia is haar kind kwijt dat ze in de koffer heeft gestopt.

Heino en Joost zien de ernst van de situatie in en gaan naar het zuiden van de Randstad. Daar is ook al een dijk doorgebroken en Rotterdam ligt open voor het water. Joost krijgt een goed idee en laat twee rijnaken in het gat varen. Een schip slaat om en de opvarenden verdrinken, maar met het andere schip behoedt hij de Randstad voor een grote ramp.

Dan komt Rutus weer in het verhaal. Hij maakt met zijn piloot een vlucht boven het overstroomde gebied. Hij redt een vrouw en twee kinderen in de helikopter en terug naar de veilige basis ziet hij een vrouw zwemmen. Hij springt zonder na te denken in het water en redt Julia die zich echter fel verzet. Ze wil namelijk niet zonder zoontje gered worden. Vanwege zijn roekeloze daad wordt hij twee dagen geschorst en dan trekt hij met Julia mee die nog steeds tekenen van waanzin vertoont. Ze is gek omdat ze haar zoontje kwijt is. Hij reist af met de auto van de piloot en gaat op weg van Brabant naar Zeeland. Ze stuiten onderweg op hulpeloze vluchtelingen. Julia is eigenwijs en gaat zelfs lopend verder en daarna weet ze een veerman (Charles = Charon, de veerman van de Griekse onderwereld) te verleiden haar mee te nemen. Onderweg drijven de kadavers van de dieren en de lijken van de mensen in het water. Ze komen weer op Schouwen-Duiveland. Het is toevallig eb en de weg is weer begaanbaar. Ze loopt naar de boerderij en ziet ook de koffer weer terug, maar hij is leeg. Ernst is verdwenen.

In een tussenhoofdstuk hebben we ook Joost en Heino kunnen volgen. De communicatie over de ramp is heel slecht (het is bovendien zondag) en de hulpverlening komt in Nederland nauwelijks op gang. Er wordt nog geen leger ingezet en de verantwoordelijken van Waterstaat en de regering geven voorlopig niet thuis. De rapporten van Joost zijn genegeerd en de leidinggevenden doen net alsof ze van niets weten. De rapporten hebben nooit officieel bestaan. Die lui schrikken wel van de foto’s die in De Volkskrant zijn verschenen, want een oplettende journalist heeft er wel werk van gemaakt en heeft luchtfoto’s gemaakt van de ramp, waaruit de grote omvang van de overstroming blijkt.

Een andere lijn die in dit deel wordt geopend, is de mededeling van Rutus, die door zijn vader (een classicus) eigenlijk Brutus was genoemd, maar dat is een Romeinse verradersnaam en zijn moeder had dat niet gewild. Er is blijkbaar in de oorlog(1944) iets gebeurd. Later wordt die geschiedenis uit de doeken gedaan. Rutus heeft zijn jongere broertje verloren: op zijn aanraden was die in een appelboom geklommen om op een kazerneplein van de Duitsers te kunnen kijken. Maar een wachtpost had hem doodgeschoten. Ook Rutus wordt opgepakt, maar hij ontkent steeds dat hij een spion is, waarna de verhoren steeds harder worden. Dan bekent hij dat ze thuis een illegale radio hebben. Zijn vader wordt daarvoor opgepakt en kort daarna doodgeschoten. Nomen = omen want Rutus blijkt nu ook eigenlijk een verrader te zijn. Hij wordt ’s nachts gepijnigd in zijn dromen vanwege het verraad, waarover hij met zijn moeder natuurlijk niet kan spreken.

Worighsant
Julia is verbijsterd: de koffer is leeg. Omdat de binnenkant wel droog is, oppert Rutus dat Ernst misschien door iemand meegenomen is. Ze gaan op weg naar het dorp, maar zijn er onderweg getuige van dat een heel gezin dat zich had vastgeklampt aan stukken hout verdrinkt. De godsdienstige Zeeuwen kijken er naar en beschouwen het als een straf van God, zoals ze de gehele ramp als een straf van God beschouwen. Julia wordt in het dorp verwezen naar het hotel Worighsant, waar enkele baby’s zijn ondergebracht. Dan hoort ze van omstanders dat er een kind is gevonden; ze gaat erheen, maar het dode kind is niet Ernst. Wanneer ze in het hotel is, doet Minke niet zo aardig tegen haar als in deel I. Ze ontloopt haar een beetje.

Haar zus Regina is er nog steeds en dan wordt aan de lezer verteld dat zij kort na de bevalling haar kind heeft verloren aan een streptokokkeninfectie. Ze beschouwt het als een straf op haar profane gedachte dat ze een soort Verlosser had gebaard. God heeft haar een lesje willen lezen. Ze heeft echter van iemand een baby gekregen en ze beschouwt dit als de tweede geboorte van Koen. God heeft haar het kind opnieuw geschonken. Ze geeft het de borst en de baby is natuurlijk Ernst. Minke houdt het geheim maar ze vindt wel dat ze het kind terug moet geven aan de moeder.

’s Nacht hoort Julia een kind huilen en instinctmatig weet ze dat het Ernst is. Zelfs haar tepels beginnen te lopen, wat een natuurlijke moeder reactie is.
Ineens is ook Diewer weer van de partij. Ook hij heeft gehoord dat er een kind gevonden is. Julia is al weg. Rutus weet niet wat hij moet doen nu ook Diewer er is. Dan besluiten ze samen achter haar aan te gaan. Onderweg wordt de lezer meegedeeld dat het avontuur van Diewer op de wilde vaart al heel snel mislukt was. Bovendien is hij met een longbeschadiging door een vuil karweitje in Marseille op te knappen teruggekeerd. Niettemin gaat hij een toekomst bij de marine tegemoet. Ze gaan met zijn drieën op pad en stelen een bootje. Ze varen naar het huisje van de sluiswachter en treffen er twee dode mannen aan: van Ernst geen spoor. Ernst zou door de sluiswachterzoon gevonden zijn.
Ze gaan weer terug. Er komt een bevel dat ze moeten worden geëvacueerd, maar Julia weigert met de eerste boot mee te gaan zoals Minke wel doet. Rutus blijft bij haar en Diewer gaat wel mee. Julia voelt dat ze nog steeds in de nabijheid van Ernst is. Dan hoort ze haar kind weer huilen, maar Regina heeft snel de baby’s verwisseld. Het huilende kind blijkt een meisje te zijn en zelfs Rutus weet het nu niet meer. Dan neemt ook Julia plaats in een reddingsbootje. Achter haar zit Regina met een kind in doeken gewikkeld. Ze gaan naar Zuid-Holland, waar opnieuw een dijk gedicht moet worden. Julia steekt als eerste de handen uit de mouwen en vult zakken met zand die ze in het dijkgat stort. Maar het is een heilloze zaak.

In Excelsis
De naam van dit deel verwijst naar een sporthal in Hellevoetsluis, waar Julia ondergebracht is. Daar is ook Regina aanwezig met Ernst (Koen de tweede) . Vrouwen met kinderen krijgen een bewijs dat ze ergens in Nederland worden opgevangen in een gastgezin. Regina vindt Meppel te ver en wisselt het adres in voor één uit Bussum. Ze trouwt later met de zoon van de bewoners: die wordt miljonair en zij emigreert mee. Ze wordt zo rijk dat ze een fonds opricht voor niet-geïdentificeerde slachtoffers van de ramp.
Rutus moet weer terug naar zijn basis. Julia laat hem vertrekken. Ze wordt een psychiatrisch patiënte die het verlies van haar zoontje niet kan verwerken. Maar er zijn ook complicaties: Ernst is nooit aangegeven bij de Burgerlijke Stand vanwege de situatie bij zijn geboorte. Ze wordt opgenomen in het ziekenhuis in Rotterdam, waar Rutus haar later komt ophalen. Ze vraagt hem haar mee te nemen. Dat doet hij en ze wonen één jaar samen in Amsterdam. Dat gaat best goed, hoewel ze geen liefdesrelatie hebben. Ze mist intussen een vinger die door een roestige ring en een wondje is ontstaan. De vinger moest vanwege het koudvuur worden geamputeerd. De symboliek is hiervan duidelijk: de ontbrekende vinger is het symbool van het ontbrekende kind in haar leven

Maar na precies een jaar komen de problemen. De Volkskrant brengt op 1 februari 1954 een reportage uit met een foto waarop ze zich zelf en Regina met baby herkent. De doek waarin hij is gewikkeld, is die van haar. Weer wordt de wond opengereten en Julia gaat als een waanzinnige tekeer. Ze gaan terug naar Worighsant dat weer wordt opgebouwd. Ze gaat boven op zolder zoeken en Rutus begint aan het bestaan van het kind te twijfelen: het heeft immers officieel nooit bestaan. Hij doet weer zijn naam als (B) rutus weer eer aan, vindt ze. Hij verraadt haar immers: hij beschouwt haar ook als een zottin. Dan rijdt hij weg uit haar leven. Ze houdt hem niet tegen. Ze besluit met het geld dat ze krijgt uitgekeerd als slachtoffer van de ramp de boerderij weer op te bouwen en gaat zich ook bekwamen als lerares. Langzamerhand leert ze het verdwijnen van Ernst accepteren. Julia woont alle activiteiten van het Deltaplan actief bij. Bij het sluiten van het Haringvliet 1971 is ze ook aanwezig. Dan heeft ze zich met haar lot verzoend. Ze weet dat Ernst in leven moet zijn, maar Regina heeft ze nooit kunnen vinden: alle sporen zijn uitgewist.
Met de sluiting van de Haringvlietdam in 1971 sluit ze het verleden af. Julia is op dat moment 37 jaar.

Joost van Ven heeft nooit de eer gekregen die hem toekwam. Hij was een soort klokkenluider en dat “vak “wordt niet gewaardeerd. Veelal wordt het als een soort verraad tegenover een leidinggevende gezien. Na interviews in de kranten wordt hij ontslagen. Hij staat niet in zijn ontwikkeling stil. Hij stort zich nu op het broeikaseffect en berekent dat de uitgangspunten van het Deltaplan in de toekomst ontoereikend zullen zijn. Maar ook nu wordt hij genegeerd. In de trein op weg naar de sluiting van de Haringvlietdam krijgt hij een hartinfarct en overlijdt.

Mijn mening/ervaring: Dit boek is aangrijpend. De watersnoodramp in 1953 heeft veel impact gehad. De sfeer (tijdsgeest en de bekrompenheidvan de mensen) weet Rik Launspach goed te te treffen. Persoonlijk vind ik dat zelfs beter gelukt in het boek dan in de film. 

Dit is het 85ste deel in de categorie “Uitgelezen”. Op deze pagina houd ik bij welke boeken ik uitgelezen heb.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *