Uitgelezen 128: Verhalen uit de ambulance – Mariëtte Middelbeek

Titel: Verhalen uit de ambulance
Schrijver: Mariëtte Middelbeek
Jaar van uitgifte: 2009

Flaptekst:
‘Dit boek leest als een spannende actiefilm. Een juweeltje…’ – Nursing

24 uur per dag, 7 dagen per week zett en meer dan 4.000 ambulancemedewerkers zich met hart en ziel in om hulp te verlenen aan wie dat nodig heeft. Wat zij meemaken in hun beroep delen ze met u in deze verzameling verhalen uit de ambulance.

Dit boek biedt u een kijkje achter de schermen bij het werk op de ambulance:
bij ongevallen, bij mensen thuis, in het ziekenhuis en in de auto. Van schrijnend menselijk leed tot hartverwarmende patiënten. Van rustige B-ritten met diepe impact tot sensationele spoedeisende taferelen.
Juist omdat zij vaak als een van de eersten ter plekke zijn, worden de ambulanceverpleegkundigen en -chauffeurs geconfronteerd met lief en leed, hoogoplopende emoties, paniek en soms bizarre situaties, maar vooral met mensen en hun verhalen.

Over Verhalen uit de ambulance:

‘Ik ben er in begonnen te lezen en kon niet stoppen.’ – Eindhovens dagblad

‘Een boek dat boeit, verrast, ontroert en laat lachen. G-E-W-E-L-D-I-G’ – Lezer op bol.com

‘Door het lezen van deze verhalen groeit het begrip voor de medewerkers van de ambulancezorg. Wanneer ik nu een ambulance zie rijden, dan denk ik aan de aspecten van het ambulancewerk en heb ik bewust bewondering voor deze mensen.’ – Lezeres op bol.com

Leeswaarschuwing
Onderstaande tekst kan details van de plot en/of de afloop van het verhaal bevatten.

“Een kind van 9 maanden, ze ademt niet…”
door Mariette Middelbeek

Rimmer, Haarlem / Vrijdag, 18.32 uur
Uit een van de betere buurten van Haarlem komt een paniekmelding. Een kindje van negen maanden ademt niet meer en is helemaal blauw. Met gierende banden rijden we de post uit. We treffen de ouders aan, compleet in paniek, maar hebben geen tijd om aandacht aan hen te geven. We rennen de trap op en beginnen de reanimatie, terwijl de tweede wagen onderweg is.
‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik terwijl mijn collega begint met hartmassage. De moeder kan het niet uitleggen, tussen haar snikken door vertelt ze flarden van het verhaal. Met wat de vader nog toevoegt, probeer ik de gebeurtenissen te begrijpen.
De twee hadden hun kindje even op het grote bed gelegd. Aan beide kanten een kussen, zodat het meisje niet op de grond zou vallen. Moeder zat op het balkon met haar neus in rapporten die ze moest doorlezen, vader zat een kamer verderop achter zijn computer om nog wat achterstallige mail weg te werken.
Toen de moeder even bij haar dochtertje ging kijken, lag ze met haar gezicht in het kussen en deed ze niets meer. Hoe lang al? De moeder weet het niet. Twee of twintig minuten, het kan allebei.
De tweede auto komt aan en tegen beter weten in nemen we de baby mee naar het ziekenhuis. Het meisje gaat met twee verpleegkundigen in de andere ambulance, ik neem de ouders mee. ‘Waarom laat ik haar nou alleen?’ schreeuwt de moeder van pure wanhoop. ‘Waarom moet ik dan ook zo’n baan? Waarom hebben we het zo druk?’ Ze geeft een mep op het dashboard. ‘Kon ik het maar terugdraaien!’ Ze trapt met haar benen tegen de grond en slaat tegen de deur. Daarna draait ze zich met een ruk naar mij toe. ‘Komt het nog goed?’
Ik slik even. ‘Ik weet zeker dat ze in het ziekenhuis alles zullen proberen. Maar jullie moeten ook rekening houden met het ergste.’ Een nieuwe golf van wanhoop, woede en verdriet overvalt haar. Haar man zit achterin en reageert nauwelijks. De angst heeft hem apathisch gemaakt. Ik wil iets bemoedigends zeggen, maar er is niets bemoedigends. De ouders rennen de spoedeisende hulp op, ik sluit de auto af en volg hen. Op de gang kom ik de verpleegkundige tegen. Het is voorbij.

Johannes, Schiedam / Zondag, 10.41 uur
Op de Dag des Heeren moeten wij naar een kerk in Schiedam. Ik heb zelf een gedegen christelijke opvoeding genoten, dus de sfeer in een kerk is mij niet vreemd. Maar vandaag is de sfeer naast gedragen ook angstig. In het middenpad ligt een oudere vrouw. Een paar kerkgangers hebben blijkbaar een EHBO-diploma en zijn bezig haar te reanimeren. Ik werp een vlugge blik op de kerkbanken – zwarte kousen en hoedjes. Mijn collega en ik nemen het reanimeren over. We masseren en defibrilleren en er komt weer een hartritme. Maar het blijft keer op keer wegvallen. Zelfs met medicijnen krijgen we de vrouw niet gestabiliseerd. Na vijf keer denk ik dat we er zijn. Het hartritme ziet er beter uit en blijft ook langer. Maar dan ineens is het toch weer weg. Een heftige vloek ontglipt mij. Meteen kan ik wel door de grond zakken. Het woord kaatst tegen de muren van de kerk en blijft in de ruimte han­gen. Een paar mensen buigen hun hoofd. Het orgel begint stichtelijke muziek te spelen. We ne­men de vrouw mee. Als we in de ambulance zitten en willen wegrijden, wordt er op het raampje geklopt. Een van de ouderlingen kijkt me aan. ‘Broeder, ik moet dit toch nog tegen u zeggen. Wat u zojuist ontschoot, zal u door de Heere zeker worden vergeven.’

Rob, Rheden / Maandag, 15.59 uur
We komen aan bij een huis in een van de oude straatjes in Rheden. We zijn de tweede auto bij een kinderreanimatie.
De verpleegkundige van de eerste auto staat in de woonkamer van een jong gezin een baby’tje van drie maanden te reanimeren. Op de bank zit de vader, hij kijkt doodstil toe. Ik richt me op de reanimatie. Iedere ambulancemedewerker kent het protocol voor de eerste en de tweede auto. Je hebt je vaste taken en daar wijk je niet van af.
De verpleegkundige van de andere auto zegt: ‘Wil jij de beademing overnemen?’ Ik begrijp het niet. Dat is niet mijn taak en het zou ook compleet onlogisch zijn. Hij heeft het kind geïntubeerd en hoort zelf de beademing te doen.
‘Nee, ik moet…’ begin ik. ‘Wil jij de beademing overnemen?’ Nu pas zie ik dat hij me heel indringend aankijkt. Er gaat iets niet goed en je moet doen wat ik zeg, seint hij. ‘Oké.’ Ik pak het hoofdje van het meisje vast en krijg kippenvel. De schedelnaden staan over elkaar heen. Dat kan niet.
Inmiddels is de huisarts er ook. Terwijl we doorgaan met de reanimatie en alles uit de kast trekken om dit kindje te redden, leggen we hem op zeer gedempte toon uit wat ons vermoeden is.
‘Wat is er gebeurd, meneer?’ vraagt de arts aan de vader. ‘Ik weet het niet.’ ‘Uw dochtertje heeft schedelletsel. Dat ontstaat niet zomaar.’ De man denkt na. Hij is heel rustig, iets wat ik vreemd vind als vier ambulancemedewerkers keihard werken om het leven van zijn baby te redden.
‘Tja, misschien heeft ze haar hoofd gestoten aan iets in de box? Er ligt zo veel speelgoed.’ Het is een onzinverhaal. Ten eerste kan het kind nog zo hard haar hoofd stoten aan een stuk speelgoed, maar die schedelnaden krijg je niet over elkaar heen. En ten tweede klopt het verhaal niet bij de leeftijd van zijn dochter.
‘Waar is de moeder?’ vraagt de huisarts verder. ‘Aan het werk. Dit is haar eerste werkdag na haar zwangerschapsverlof.’ Ik schiet meteen overeind. Dus de man is voor de eerste keer een dag alleen met zijn kind. Ik weet nog niet waarom dat belangrijk is, maar ik sla de informatie op.
We proberen het nog een half uur, maar niets mag baten. Ze is al overleden. De andere verpleegkundige en ik nemen de huisarts mee naar buiten om te kunnen overleggen, terwijl de chauffeurs binnen blijven.
‘Die vader heeft ermee te maken’, zegt mijn collega. ‘U moet iets opnemen in de overlijdenspapieren over de niet- natuurlijke doodsoorzaak.’ ‘Ik kan dat niet zomaar doen’, stribbelt de huisarts tegen. ‘Ik kan zo niet zeggen dat het verhaal van de vader niet klopt. Misschien is het kindje echt gevallen.’
‘Goed’, beslist mijn collega, ‘dan bellen wij de GGD-arts. We weten allemaal dat hier iets heel erg mis is.’ De huisarts wikt en weegt en geeft dan toe. ‘Oké, ik doe het wel. Maar dan moet ook de politie komen.’ Die komt inderdaad en gelooft ook dat dit kindje niet zomaar is gevallen. Als ik de vader recht aankijk, kan ik de blik in zijn ogen niet peilen.

Zes maanden later. De man is opgepakt en heeft bekend…

Freek, Rotterdam / Donderdag, 17.54 uur
Het is rond zessen, einde van een geslaagde Koninginnedag. De ouders met kinderen verlaten de stad. Bij diverse feestgangers begint de alcohol z’n tol te eisen. Als ze slim zijn gaan ze naar huis. De sfeer wordt grimmiger.
Ergens in het centrum heeft een knokpartijtje plaatsgevonden. Vier mannen hebben het met elkaar aan de stok gekregen. Een van hen was die dag blijkbaar al de stad in gegaan met een grote, ijzeren staaf op zak en daarmee heeft hij een ander rake klappen verkocht. Die man ligt nu bloedend en kermend van de pijn op straat, de dader en de twee anderen hebben de benen genomen.
Ik probeer met de ambulance zo dicht mogelijk bij het slachtoffer te komen, maar dat is nog niet zo eenvoudig. De straat staat vol met mensen. Sommigen zien de ziekenwagen niet, ondanks onze niet te missen lichtgevende en loeiende hulpmiddelen, anderen weigeren simpelweg om plaats te maken. Ik kijk even opzij naar Kees, de verpleegkundige. Dit is oppassen geblazen. We stappen uit en proberen met de brancard de gewonde man te bereiken.
‘Even opzij, alstublieft!’ probeer ik beleefd. Gelach en proostende gebaren vallen mij ten deel. ‘Kom op, mensen. Aan de kant nu.’ Kees lukt het ook bijna niet om door de menigte te komen. Als we uiteindelijk bij het slachtoffer zijn, moeten we moeite doen om een beetje werkruimte te creëren.
We gaan op onze knieën naast de gewonde man zitten. Pats! Recht achter mij smijt iemand een bierflesje tegen de grond. Zeker van huis meegenomen, glas is verboden in de stad op dit soort dagen.
Anderen zien het voorbeeld en beginnen mee te doen. Ineens klinkt overal het geluid van brekend glas. Ik kijk naar Kees. Dit loopt helemaal uit de hand. Inmiddels worden er flesjes recht op ons gericht. ‘We gaan’, besluit Kees. Samen leggen we de man razendsnel op de brancard. In de verte zie ik ME-busjes. We komen de menigte niet door. Overal zijn bierflesjes en glazen. Ik zie de verbetenheid op de gezichten om me heen. ‘Eronder!’ roep ik. Kees en ik duiken onder de brancard.
Natuurlijk willen we het slachtoffer zo snel mogelijk naar het ziekenhuis brengen, maar nu gaat onze eigen veiligheid voor. De ME vormt een cordon. Het kost zelfs hen moeite de menigte uit elkaar te drijven en een doorgang voor ons te maken. Uiteindelijk kunnen we veilig onder de brancard vandaan komen.
We verdwijnen snel in de ambulance. Pas als er meer ME-busjes zijn gearriveerd lukt het ons om weg te rijden.

Dit is het 128ste deel in de categorie “Uitgelezen”. Op deze pagina houd ik bij welke boeken ik uitgelezen heb.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *